Gezondheidszorg: Wie profiteert? namens Joop van den Burg

  • 31 augustus 2019 om 14:35 #1220
    admin
    Sleutelbeheerder

    06-12-2001: Aan de Vakbondsvertegenwoordigers in de LOAZ Fuwa Werkgroep
    Betreft: Ontwikkeling normfuncties en functiefamilies

    Geachte Vertegenwoordigers,
    Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat deze hele actie om met klankbordgroepen te werken, slechts een soort “wind ow-dressing” is en dat bonden, politiek en werkgevers de indeling, ten nadele van de “verpleging en Verzorging”, al hebben vastgelegd; zoals inmiddels met zovele landelijke ontwikkelingen in de “Verpleging en Verzorging”.

    De huidige roep om aanpassing van de BIG-wet is veroorzaakt door en vloeit voort uit een zelf-vervullende profetie. Een profetie waarin vanaf de jaren tachtig, een valse definitie voor en over het vak verpleegkunde & verzorging en haar beroepsgroep werd geformuleerd en als uitgangspunt werd genomen voor het in 1996 opzetten van een “kwalificatiestructuur”. Vanaf dat moment werd er, op basis van deze valse definitie van de verpleegkundige & verzorgende praktijk, een nieuw verpleegkundig & verzorgend opleidingsmodel in het leven geroepen: – “Zo’n beroepsbeoefenaar moet voldoen aan een aantal wettelijke eisen. De belangrijkste eisen hebben dan betrekking op de opleiding.” – (BIG-wet) De verpleegkundige & verzorgende praktijk – het verpleegkundig vak – stond vanaf dat moment niet langer centraal. Door besluitvormers in de gezondheidszorg wordt dan niet meer in het belang van de, in de dagelijkse praktijk werkzaam zijnde, verpleegkundige en verzorgende gehandeld, noch in het belang van de patiënt/cliënt. Wel in het belang van de werkgevers en hun organisatie/management, politiek, vak & beroepsbonden, en de nieuw op te zetten onderwijsorganisaties.
    M.a.w.: Vanaf dat moment krijgen ‘Personen met, al dan niet, een beroepsopleiding in de verpleegkunde, die werkzaam zijn in functies waarbij het rechtstreekse contact en de werkervaring (al jaren) in de zorgpraktijk ontbreekt’, het voor het zeggen.

    “Nadat in 1997 de nieuwe kwalificatiestructuur Verplegende en Verzorgende (V&V) van kracht werd, paste in eerste instantie alleen het onderwijs zich aan. De meeste ziekenhuizen anticipeerden nauwelijks op de nieuwe ontwikkelingen.” (Taminau & Boer 2004)

    “Ja, soms hebben ze het er wel eens over en dan vraag je ‘wanneer heb je dan als verpleegkundig docent in de zorg gestaan?’ en dan antwoorden ze, ‘twintig jaar geleden’. (Van den Burg in ‘Omzien naar elkaar’: Interview. 2006)

    De verpleegkundigen en verzorgenden in hun verschillende zorgorganisaties, zorgwerkplaatsen en zorgvelden werden binnen deze structuur in een ondergeschikte positie gebracht en gehouden. Dit alles om er voor te zorgen dat de zelf-vervullende profetie over ‘zorg’ en ‘zorg verlenen’ zou uitkomen.

    De familie Verpleging en Verzorging
    Tegelijk werden separaat functies voor de familie Verpleging en Verzorging geformuleerd. Deze functies hadden en hebben nog steeds alleen invloed op de functiewaarderingssystemen binnen de diverse GZ organisaties; niet op de inrichting van de nieuwe ‘kwalificatiestructuur’!. M.a.w. het gaat niet zozeer om een wijzigingen in de wet BIG, o.a. een nieuw in het leven te roepen verpleegkundige regiefunctie, maar om het in stand houden van een kwalificatie-structuur die haaks staat op en ten koste gaat van de verpleegkundige & verzorgende praktijk. Het functieniveau is gekoppeld aan eisen m.b.t. kennis, vaardigheden en gedragscompetenties en waar het gaat om verpleegkundige functies ook nog aan de registratie als verpleegkundige. Zowel het Mbo als het HBO-onderwijs, als ook het voormalig Inservice onderwijs, leveren (leverden) geregistreerde verpleegkundigen af. De functiewaarderingsystemen binnen de organisaties/instellingen en de kwalificatiestructuur zijn afzonderlijke instrumenten die ieder een eigen doel dienen.

    • De functies dienen als geijkte voorbeelden binnen een functiewaarderingssysteem.
    • De kwalificatiestructuur dient als basis voor het opleidingsstelsel.
    Het dilemma van de collectieve actie in de gezondheidszorg

    “Wat precies die standaarden en goede zaken zijn die men in ere wenst te houden, kan men slechts beoordelen voor zover men werkelijk met een dergelijke praktijk vertrouwd is.” (Verbrugge in Brink (2005) Beroepszeer. Waarom Nederland niet goed werkt.)

    Of er wel of niet dient te worden overgaan tot een differentiatie binnen een (integrale-) zorg- en behandelproces wordt niet alleen bepaald door de “handelingscontext”, maar ook door de wijze waarop de zorgverlening is georganiseerd. En het mag overduidelijk zijn dat dat binnen huidige organisatie(s) lokaal en landelijk niet (meer) het geval is. In voetbaltermen: “Het dak van het gezondheidszorg stadion is op grote onderdelen ingestort, de rest dreigt te volgen en het is te riskant om het te repareren. Dat betekent dat er een nieuw gebouw met een goed dak moet komen, een totale reorganisatie van niet alleen het zorgstelsel, maar ook een reorganisatie van de verschillende zorgorganisaties, het onderwijsstelsel voor verpleegkundigen & verzorgenden en de wetgeving. Want hoe je het ook went of keert de toekomstige verhoudingen in de gezondheidszorg zullen voor de komende jaren worden bepaald door een zeer groot, maar al te menselijk dilemma:

    Ik kom als zorgverlener/manager/vakbondslid/politicus in het belang van de patiënt, mijzelf en de organisatie ondanks alle managementverklaringen, beleidsbeslissingen en huidige reorganisaties , niet meer toe aan de juiste beroepsmatige uitoefening, inrichting en waardering van de zorgverlening toe! “Wat nu?”

    Wij – en dat zijn wij in beginsel allemaal / burgers in Nederland – zullen een nieuw stelsel moeten formuleren waarop onze gezondheidszorg zal kunnen/moeten gaan draaien. Dus mijn beste verpleegkundige en verzorgende collega’s, laten wij dan collectief actie ondernemen en onze verantwoordelijkheid nemen. Hoe?
    Door zo veel mogelijk mensen in staat te stellen zorg te verlenen met een eigen verantwoordelijkheid, inspraak en afhankelijk van de vraagstelling/zorgsituatie – al dan niet afhankelijk van de situatie gezamenlijke – besluitvorming
    Door de verpleegkundige & verzorgende praktijk vanuit de handelingscontexten in de praktijk binnen de organisaties en thuissituaties te organiseren en uitgangspunt van alle onderhandelingen binnen de verschillende GZ colleges te laten zijn
    De kwaliteit van de uitoefening van de gezondheidszorg te bewaken en zorgvragers te behoeden tegen onzorgvuldig handelen door zorgverleners en in het bijzonder bestuurders, managers, politici en andere functionarissen in de GZ
    Daar waar nodig zaken apart regelen (alleen voor bepaalde handelingen en bepaalde beroepen/specialisaties)

    Wij -verpleegkundigen & verzorgenden – zullen, hoe moeilijk het ook zal zijn om in actie te komen en de nieuwe plannen door te voeren, met twee uitdagingen worden geconfronteerd:

    a. In hoeverre willen en kunnen de calculerende (zorg) instituten en bedrijven in onze technocratische samenleving luisteren naar de mensen in de zorgpraktijk(en)

    b. Wie zullen zich bereid verklaren en bij machte zijn de inbreng uit de zorgpraktijk(en) ten behoeve van beleidsmaatregelen in de zorgverlening ook daadwerkelijk in concrete (beleid) maatregelen om te zetten en door te voeren?

    Tot slot
    Als de zorgaanbieder(s), het onderwijs en de politiek niet (meer) in staat zijn de zorgverlening op zodanige wijze te organiseren dat er sprake is van de juiste verantwoordelijkheidstoedeling die leidt verantwoorde zorg, dan zullen zorgverleners, met name de verpleegkundige & verzorgenden, hun verantwoording als professional moeten nemen. Steun elkaar en ga de confrontatie niet uit de weg.

    Joop van den Burg
    jmvandenburg@hotmail.com

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.